Waarom God steeds hetzelfde verhaal vertelt
Wanneer je met je gezin de Bijbelse feesten gaat vieren, ontdek je al snel iets bijzonders. De feesten vormen samen een reis. Van Pesach tot Sukkot. Van slavernij in Egypte naar tabernakelen in het beloofde land. Van duisternis naar licht. Van dood naar leven.
Maar wist je dat dit niet het enige verhaal is dat dit patroon volgt?
God vertelt dit verhaal namelijk steeds opnieuw. Door de hele Bijbel heen. In grote verhalen en kleine details. In de geschiedenis van volkeren en in het leven van individuen. Alsof Hij één groot verhaal heeft, dat Hij in steeds andere vormen laat zien. En als je het patroon eenmaal herkent, zie je het overal.
De reis van Israël: het basispatroon
Laten we beginnen bij het begin. Bij de reis die Israël maakte van Egypte naar het beloofde land. Want dat is het verhaal waarop alle andere verhalen zijn gebaseerd.
Israël zit vast in Egypte. Slavernij onder Farao. Farao staat symbool voor de duivel, de tegenstander die mensen in zijn greep houdt. “Laat Mijn volk gaan,” zegt God tegen Farao (Exodus 5:1). Maar Farao weigert. Zijn hart verhardt. Tot God ingrijpt met tekenen en wonderen.
Dan komt de tiende plaag. De dood van de eerstgeborenen. Maar Gods volk wordt gespaard door het bloed van het lam aan de deurposten. “Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik aan u voorbijgaan” (Exodus 12:13). Dat is Pesach. De bevrijding begint.
Vervolgens de uittocht. Het volk trekt weg uit Egypte. Maar Farao komt achter hen aan. Ze staan met hun rug tegen de Rode Zee. Geen ontsnapping mogelijk. Tot God de zee splijt. Israël gaat erdoorheen. Droogvoets. En als ze aan de overkant staan, sluit het water zich boven het leger van Farao. “Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren” (Exodus 14:30).
De Rode Zee is een beeld van de doop. Water dat scheidt tussen het oude en het nieuwe leven. Paulus schrijft erover: “Ik wil niet dat u onwetend bent, broeders, dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee heen zijn gegaan, en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee” (1 Korintiërs 10:1-2).
Dan komt de woestijn. Veertig jaar lang. Dat is geen straf, maar vorming. Daar leert het volk vertrouwen. Daar leert het gehoorzamen. God geeft manna, water uit de rots, Zijn wet op de Sinaï. “Hij vernederde u en liet u honger lijden en voedde u met het manna… opdat Hij u zou leren dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE voortkomt” (Deuteronomium 8:3).
De woestijn is het leven zelf. Beproeving en groei. Vallen en opstaan. Murmureren en leren. Maar God blijft bij Zijn volk. In de wolkkolom overdag, in de vuurkolom ’s nachts.
Dan komt de Jordaan. De laatste rivier. De grens tussen de woestijn en het beloofde land. Tussen dit leven en het volgende. Het volk moet erdoorheen. En weer doet God een wonder. Het water stopt. Ze steken over. Droogvoets. En aan de overkant begint het nieuwe leven. Het land van melk en honing.
“De HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land met waterbeken, bronnen en wellingen… een land waar u zonder armoede brood zult eten, waar het u aan niets ontbreken zal” (Deuteronomium 8:7-9).
En ten slotte het Loofhuttenfeest, Sukkot. Daar viert Israël dat God bij hen woont. In hutten. Provisorisch. Maar toch. God tabernakelt bij Zijn volk. “Opdat uw generaties weten dat Ik de Israëlieten in hutten heb laten wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde” (Leviticus 23:43).
Dat is de basisroute. Van Farao naar het beloofde land. Van slavernij naar vrijheid. Van dood naar leven. En die route zie je overal terug.
De route door de tempel
Kijk bijvoorbeeld naar de tabernakel, het heiligdom dat Israël in de woestijn bouwde. Ook daar loop je een reis. Een route die precies parallel loopt aan de reis van Egypte naar Kanaän.
Je begint bij de poort. Daar kom je binnen. Dat is Pesach, de bevrijding die begint. Dan kom je bij het brandofferaltaar. Daar wordt het lam geslacht. Verzoening door bloed, zoals het bloed aan de deurposten in Egypte. “Want zonder bloedvergieten is er geen vergeving” (Hebreeën 9:22).
Vervolgens het wasvat. Reiniging met water. Dat is de Rode Zee, het Feest van Ongezuurde Broden. Het zuur eruit, het oude achter je laten. “Zuiver dan het oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg bent” (1 Korintiërs 5:7).
Dan mag je het heilige binnen. Daar staan de kandelaar, de tafel met broden en het reukofferaltaar. Dat is de woestijn, Shavuot. Je ontvangt de Tora, het licht voor je pad. “Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad” (Psalm 119:105). Je leeft van het brood, Gods Woord. Je gebeden stijgen op als rook.
En dan, één keer per jaar, op Jom Kipoer, gaat de hogepriester het heilige der heiligen binnen. Daar woont God zelf tussen de cherubs boven de ark. Dat is de Jordaan die wordt overgestoken, de uiteindelijke bestemming. Zoals Sukkot, wanneer God bij Zijn volk komt wonen. Wanneer de reis voltooid is.
Zie je het? Dezelfde route. Dezelfde haltes. Eerst bevrijding, dan reiniging, dan gemeenschap, dan de volle aanwezigheid van God.
Het leven van Jezus
En dan Jezus zelf. Zijn leven volgt precies hetzelfde patroon.
Hij wordt geboren in een bezet land. Onder de wet. In slavernij, zou je kunnen zeggen. “Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet” (Galaten 4:4).
Dan laat Hij zich dopen in de Jordaan. Water dat scheidt. “En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water, en zie, de hemelen werden voor Hem geopend” (Matteüs 3:16). Daarna gaat Hij de woestijn in. Veertig dagen beproeving. Leren vertrouwen. Leren gehoorzamen. Net als Israël veertig jaar. “Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om door de duivel verzocht te worden” (Matteüs 4:1).
Dan volgt Zijn bediening. Hij is onderweg naar Jeruzalem, de beloofde stad. Maar eerst moet Hij door de dood. Het kruis. Het graf. Dat is de Jordaan, de laatste rivier die overgestoken moet worden. “Ik heb een doop waarmee Ik gedoopt moet worden, en hoe word Ik beperkt totdat die volbracht is” (Lukas 12:50).
En dan de opstanding. Hij staat op als Eersteling. Hij betreedt het beloofde land als eerste. “Maar nu is Christus opgewekt uit de doden. Hij is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn” (1 Korintiërs 15:20). En uiteindelijk vaart Hij op naar de hemel, het ware heiligdom, waar Hij nu woont bij de Vader.
Van slavernij naar vrijheid. Van dood naar leven. Van woestijn naar belofte. Weer hetzelfde patroon.
Jouw eigen leven
Paulus gebruikt dit beeld ook voor jou en mij. Voor elk mens die tot geloof komt.
Je bent dood in je zonden. Dat is Egypte, slavernij onder Farao, onder de tegenstander. “Ook u, die dood was door de overtredingen en de zonden” (Efeziërs 2:1). Dan word je gered. Je gaat door het doopwater. Dat is de Rode Zee. Het water dat scheidt tussen het oude en het nieuwe leven. “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen” (Romeinen 6:4).
Daarna komt de woestijn. Het heiligingsproces. Je leert vertrouwen. Je leert gehoorzamen. Soms valt het tegen. Soms murmureer je. Maar God blijft bij je. “Want wie de Heere liefheeft, tuchtigt Hij, ja, Hij geselt elke zoon die Hij aanneemt” (Hebreeën 12:6).
En op een dag sterf je. Dat is de Jordaan. De laatste rivier. Maar daarna? Dan betreed je het beloofde land. Het eeuwige Kanaän. Het hemelse Jeruzalem. Daar waar God woont. “En ik hoorde een luide stem uit de hemel, die zei: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen” (Openbaring 21:3).
De hele schepping
Zelfs de schepping zelf volgt dit patroon. In het begin is er chaos. Vormeloos en leeg. Duisternis. “De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag op de watervloed” (Genesis 1:2). Dat is de woestijn, het dode land.
Dan spreekt God. En er komt scheiding. Water van water. Licht van duisternis. Land van zee. Dat is ordening, bevrijding uit de chaos. Vervolgens wordt alles gevuld. Vissen, vogels, dieren, mensen. Dat is het vruchtbare land, het beloofde land dat vloeit van melk en honing. En dan rust God. Dat is de zevende dag. Sukkot. God die woont bij wat Hij gemaakt heeft. “En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed” (Genesis 1:31).
En aan het eind van de Bijbel, in Openbaring, zie je het opnieuw. Een nieuwe schepping. Een nieuwe exodus. Oordelen en plagen, zoals in Egypte. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. “Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde” (Jesaja 65:17). En God die Zijn tent opslaat bij de mensen. Eeuwig Sukkot. “Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, geen geschreeuw en geen moeite zal er meer zijn” (Openbaring 21:4).
Waarom vertelt God dit steeds opnieuw?
Omdat het het enige verhaal is dat ertoe doet. Het verhaal van redding. Van bevrijding. Van thuiskomen bij God. Het is het verhaal van de hele kosmos. Van heel de mensheid. Van elk individu. Van jou.
En de feesten? Die zijn de kalender waarop dit verhaal wordt afgespeeld. Ze helpen je het te zien. Te begrijpen. Te beleven. Elk jaar opnieuw loop je de route. Van Pesach naar Sukkot. Van slavernij naar vrijheid. En elke keer begrijp je het een beetje beter. Elke keer zie je weer een nieuw detail. Een nieuwe laag.
Dat is de rijkdom van de feesten. Ze zijn niet alleen maar herinneringen aan wat God deed. Ze zijn een lens waardoor je Gods hele verhaal kunt zien. In de Bijbel. In de geschiedenis. In de schepping. In je eigen leven.
Het patroon leren herkennen
En dat wil je toch meegeven aan je kinderen? Niet alleen de feesten vieren, maar het patroon leren herkennen. Zodat ze het zien in de verhalen van de Bijbel. Zodat ze het herkennen in hun eigen leven. Zodat ze weten: er is een route. Een plan. Een bestemming.
Van duisternis naar licht. Van dood naar leven. Van slavernij naar vrijheid. Van woestijn naar belofte. Dat is Gods verhaal. En dat verhaal eindigt altijd hetzelfde. Met een feest. Met vreugde. Met God die bij Zijn volk woont.
Daarom vier je de feesten. Niet omdat het moet. Niet omdat het traditie is. Maar omdat je je kinderen wilt laten zien: dit is de route. Dit is de weg. En elke stap die je zet, brengt je dichter bij huis.